Nieuws

BLOG - Naming and shaming

19-08-2016

Zo langzamerhand zit de zomervakantie er voor de meeste Nederlanders weer op. Een periode om even tot rust te komen. Wie denkt dat de wetgevingsmachine in deze zomer een rustiger toerental draait, vergist zich echter deerlijk. Wij werden onthaald op niet minder dan vijf consultaties over verschillende wetgevingsvoorstellen, merendeels van Nederlandse origine. Terwijl wij toch dachten dat harmonisatie van regelgeving op de Europese interne markt een belangrijke doelstelling was voor onze regering. Nederland is met zijn open markt economie als geen ander land immers gebaat bij een goed vestigingsklimaat. Gelijke spelregels met ons omringende landen zijn daarvoor wel een eerste voorwaarde.

Een van de typisch Nederlandse initiatieven die wij deze zomer ontvingen, betreft een wetsvoorstel waardoor toezichthouders vaker de namen van financieel instellingen kunnen noemen als zij van mening zijn dat er iets aan de hand is. Doel is meer transparantie in het toezicht op de financiële sector. Een van de wijzigingen betreft zo’n bevoegdheid voor de AFM en DNB in het kader van zogenaamde themaonderzoeken. Is dit wel een goed idee?

Laten wij om te beginnen vaststellen dat in de wet niets over themaonderzoeken is geregeld.Themaonderzoeken zijn voor de toezichthouders louter een middel om informatie te verzamelen. Het zijn hulpmiddelen waarvan het primaire doel is een inschatting te maken of verdere inzet van het toezichtinstrumentarium nodig is. Het zijn dus niet zelfstandige middelen waarmee daadwerkelijk toezicht wordt gehouden. Door een themaonderzoek kunnen aan individuele instellingen of personen geen toezichtmaatregelen of boetes worden opgelegd. Daarvoor is nader onderzoek nodig, waarbij specifieke procedures gelden.De vraag is natuurlijk of het openbaar maken van de onderzoeken voor meer transparantie zorgt. Het ministerie van Financiën plaats daar zelf wel kanttekeningen bij. Het Ministerie merkt op dat “In het algemeen […] het openbaar maken van grote hoeveelheden ongeorganiseerde informatie nauwelijks [zal] bijdragen [aan transparantie], terwijl ook het zeer sporadisch openbaar maken van informatie niet zal leiden tot een beter inzicht in de prestaties van partijen onder toezicht op het gebied van naleving. De toezichthouders zullen daarin dan ook een goede balans moeten vinden.”

De behoefte om man en paard te noemen past in de huidige tijdgeest. Loopt een onderzoek gunstig af voor de onderzochte instellingen, dan is er vanuit de gedachte van naming en shaming die achter dit wetsvoorstel zit, geen reden tot publicatie. Het prijzen van onder toezicht staande instellingen, faming, is geen nieuws. Zou een onderneming door de toezichthouder expliciet worden geprezen, dan zou bovendien de lat van de wettelijke norm daarmee hoger kunnen worden gelegd. Omgekeerd zijn goede reputaties snel bezoedeld door een voorlopig onderzoek en het lichtvaardig noemen van namen. Zowel het een als het ander is natuurlijk onwenselijk. Niet voor niets is de procedure voor het opleggen van boetes en het publiceren van namen met zo veel goede rechtswaarborgen omgeven. De ‘goede balans’ voor eventuele publicatie kan niet zo maar aan de willekeur van de toezichthouders worden overgelaten. 

Zouden wij dit allemaal wel willen, dan moeten er in ieder geval objectieve wettelijke criteria worden opgesteld voor de wijze waarop themaonderzoeken moeten worden ingericht, laat staan een besluit om al dan niet de namen van instellingen bij de resultaten van een themaonderzoek te publiceren. Anders leidt het ook tot willekeur. Toezichthouders nemen voor hun themaonderzoeken doorgaans steekproeven uit de verzameling onder toezicht staande instellingen.

De vraag rijst bovendien of dit voorstel onder het argument van ‘transparantie’ niet een buitenrechtelijke toezichtinstrumentarium aanreikt, waarmee DNB en de AFM minder snel bloot worden gesteld aan toetsing door de bestuursrechter, terwijl er toch pseudo-handhaving kan plaatsvinden.

Laat hier geen enkel misverstand over bestaan. Ik ben een voorstander van transparantie in de financiële sector. Maar er kleven te veel haken en ogen aan dit wetsvoorstel. Publicatie van de naam van een financiële instelling in een negatieve context is zo veel als het opleggen van een boete door de toezichthouder. Dat betekent dat dit met dezelfde waarborgen en rechtsbescherming moet zijn omkleed. En anders kan dit wetsvoorstel beter worden ingetrokken. Iedereen heeft recht op rechtszekerheid.

Hans Janssen Daalen

Algemeen directeur DUFAS

Terug naar nieuws